monique de greef logo

'The body keeps the score'

Ik weet niet of het waar is.
In mijn hoofd heb ik geen beelden. Alleen de woorden die mijn tante me gaf.
Ze waren zwaar en onthutsend.
Ze voelden als een gewicht dat van mijn schouders werd gelicht.
Ze brachten de tranen in mijn ogen.
Ze lagen als een geschenk tussen ons in op de houten tafel. Onkwetsbaar voor de twee cappuccino's en appelgebakjes die de serveerster neerzette.
Mijn tante zei dat het haar jaren had gekost om ze tegen me te zeggen. 

'Wat weet je nog van vroeger?' vroeg ze. 'Herinner je je iets bijzonders?' 

Ik heb bizar weinig beelden van toen ik jong was. Alsof, als ik terugkijk naar mijn verleden, ik alleen maar op een spiegel stuit waarin steeds een andere versie van mezelf verschijnt.
Ze vroeg of ik wist waarom onze familie niet welkom was geweest bij de familiebijeenkomsten.
Ik had geen idee.
'Toen ik zeven was en Lies acht,’ vertelde ze, 'waren we samen in de keuken aan het spelen. Het was nog vroeg. Een zondag. Toen kwam je vader naar beneden. Hij droeg alleen een doek. Je weet wel, zo eentje die ze…'
'Een sarong,' zei ik.
‘Ja, een sarong. Een blauwe met aan de onderkant witte motieven. Ik weet het nog omdat hij heel dichtbij stond en ik hem niet aan durfde te kijken. Hij zei dat hij met ons wilde spelen.’ 

Ze durfde me nauwelijks aan te kijken toen ze zei dat ze vermoedde dat hij hetzelfde met mij had gedaan. 

‘Maar dan wist mijn moeder het ook?’
‘Paula? Ja natuurlijk.’
‘En jullie deden niets?’
‘Het was de tijdgeest… We wisten niet…’
‘Waarom heeft niemand me ooit iets verteld?’
‘Ik heb het zo vaak gewild… Ik durfde niet.'
‘Zesenvijftig jaar lang heb ik gedacht dat er iets mis was met mij.’
‘Ach, lieverd…..’
……..

In de stilte die tussen ons in hangt drinken we onze koffie.
‘Ik ben blij dat ik het eindelijk weet. Bedankt dat je de moed hebt gehad om het me te vertellen.’

Haar woorden waren een sleutel in een kerker deur. Alsof een cel die altijd gesloten was gebleven langzaam openging en een licht wierp op een schuldgevoel waar ik al mijn hele leven onder gebukt ging.
Alsof ik door haar woorden verlost werd van een gewicht dat al zo lang als ik me kan herinneren op mijn ziel rustte.
Haar woorden bevrijdden me van de last een dader te zijn.
Ik mocht eindelijk slachtoffer zijn.
Ik was degene die misbruikt was.
Ik hoefde alleen maar te vergeven. 

In mijn hoofd heb ik geen beelden, maar zoals Bessel van der Kolk schrijft: ‘The body keeps the score’.


De paneeltjes op de pagina Raw Art heb ik gemaakt in een proces van loslaten.
Ze staan symbool voor de bevrijding van mijn emoties. Het loslaten van dat wat me klein en angstig hield.
Het zijn beelden waar ik onmogelijk de juiste woorden voor kan vinden.

Wat is waarheid?

Het eerste dat ik tegen haar zei was: 'Als mijn vader iets bij mij gedaan heeft, dan deed hij het uit liefde.'

Probeerde ik met die woorden hem, het beeld dat ik van hem heb te verdedigen? Sprak ik als het loyale kind? Wil of kan een deel van mij de waarheid niet onder ogen zien? Ik zal het nooit weten. De getuigen van deze geschiedenis zijn overleden.

 

Bessel van der Kolk in een interview met Ezra Klein:

 “We zijn geschapen om te overleven. We zijn ook gemaakt om loyaal te zijn en deel uit te maken van een groep. Maar als je gevoelens in strijd zijn met je loyaliteit - laten we zeggen, als je eigen moeder of vader je in elkaar slaat en je je niet veilig voelt - kun je het ook niet aan andere mensen vertellen omdat je van je moeder of vader hoort te houden. En dus moet je het voor jezelf houden. En dan begint het in je te etteren. Mensen gaan op zoek naar woorden voor de realiteit waarmee ze te maken hebben gehad. En vaak zijn dat realiteiten die niet acceptabel zijn voor de mensen om je heen.

 Ezra Klein: Je hebt het over het verschil tussen de delen van de hersenen die het autobiografische zelf creëren en de delen van de hersenen die het ervarende zelf creëren. Kun je dat uitleggen?

 Bessel van der Kolk: Ja.  We hebben lagen van de hersenen die verschillende functies hebben. De diepste laag heeft te maken met wat Antonio Damasio "de huishouding van je lichaam" noemt: kunnen ademen, naar de badkamer gaan, gaan slapen, eetlust hebben, mantelzorg en seksuele relaties kunnen aangaan - zeer elementair. Dit hebben we gemeen met alle andere zoogdieren.

Maar daar bovenop hebben we systemen om betekenis te geven aan ons leven, te beginnen met het grotere limbische systeem dat een complexe manier heeft om je percepties over de werkelijkheid te organiseren. Dus eigenlijk is je limbische systeem het deel van je hersenen dat een kaart vormt binnen de wereld buiten je. En dus worden je hersenen geprogrammeerd door ervaring om te weten wat ze kunnen verwachten en wat voor soort reacties mensen zullen hebben op bepaald gedrag. En zo geven vroege ervaringen veel vorm aan je perceptie van de wereld.

Dus als je doodsbang bent voor de mensen die voor je zorgen, is het zeer waarschijnlijk dat je extreem inschikkelijk zult zijn tegenover mensen met macht in de hoop dat ze je geen pijn zullen doen, of je wordt chronisch boos en oppositioneel of een combinatie van die twee. Maar die afdruk van, ik ben niet veilig bij mensen die zeggen dat ze om me geven, wordt een afdruk van hoe je de wereld gaat waarnemen.  Dat zijn geen rationele gedachten. Ze kunnen niet simpelweg worden afgeschaft door mensen erop te wijzen hoe irrationeel ze zijn. Het is de manier waarop ons brein bedraad is geraakt om om  te gaan met de realiteit waarin het werd gevormd.

 Ezra Klein: Het was verbazingwekkend voor mij om enkele van de verhalen in het boek te lezen. Ik denk dat we allemaal de ervaring hebben om een verhaal over onszelf te vertellen dat niet trouw is aan hoe we ons voelen, maar je behandelt patiënten waarvan de verhalen die hun geest hen vertelt of de herinneringen die hun geest heeft verborgen, echt schokkend zijn. Dus waarom vergeten slachtoffers van misbruik, met name kindermishandeling, zo vaak wat er met hen is gebeurd of geven zij zichzelf de schuld?

Bessel van der Kolk: Het probleem is dat we onze ouders of verzorgers nodig hebben om voor ons te zorgen. Op het moment dat onze verzorgers daarin falen, zijn we als kleine kinderen verloren. Kinderen zijn bedraad om zo dicht mogelijk bij de mensen te blijven die voor hen moeten zorgen. En daarmee zullen ze de realiteit ontkennen van geslagen te worden. Of de beleving wordt: ik word geslagen of ik word gemolesteerd omdat ik een slecht persoon ben. Ik moet het verdienen.

In feite wordt je identiteit: ik ben fundamenteel een slecht en gebrekkig mens. En als ik een aardiger kind was geweest, hadden mensen van me gehouden en voor me gezorgd. Als ik een waardevol kind was geweest, hadden mensen deze vreselijke dingen zichzelf niet aangedaan. Het moeilijkste om daadwerkelijk te behandelen bij mensen is dit diepe gevoel van defect zijn, dat iets mis is met jou.

Waar veel van mijn patiënten ook mee te maken hebben is: ik moet dit verhaal verzonnen hebben. Dit is te verschrikkelijk voor mensen om te doen, ik kan niet geloven dat het mij is overkomen, ik moet me zo voelen omdat ik gek ben. Vaak wordt dat versterkt door de omgeving: je bent gewoon een moeilijk kind, je verzint valse herinneringen.”

  

Op mijn vijftiende ging ik het huis uit. Twee jaar eerder was de band met mijn vader verbroken. Het had niets met misbruik te maken. Als ik aan mijn vader denk voel ik liefde. En gemis. We waren beiden Waterman. Ik kan niet zeggen dat de gedachte aan hem mij angst inboezemt.

Wel de naam van een huisvriend van mijn ouders. Fred.

Mijn haren gingen overeind staan toen ik alleen maar zijn naam hoorde. Ik heb totaal geen herinnering aan hem. Hij was een huisvriend van mijn ouders toen ik een zevenjarige was. Zijn naam knijpt mijn keel dicht.

Wat is waarheid? Waar kan ik die vinden? In de woorden van anderen? In beelden die er niet zijn? In de signalen van mijn lichaam? En waarom vind ik het zo belangrijk? Omdat ik heel wil worden. De fragmenten waarin ik ooit uiteen ben gevallen aaneen wil smeden.

Er wordt me gevraagd wat ik wil met deze website. Wie mijn doelgroep is. Het meest eerlijke antwoord is: ikzelf.

Ik schrijf en verbeeld mezelf in een  zoektocht naar wie ik werkelijk ben. Alle snippers, alle fragmentjes waaruit ik ben opgebouwd en die in laden vol tekeningen en schriften vol gedachten mijn werkkamer vullen, probeer ik te ordenen. Sommige zal ik online tentoonstellen. Zodat ik gezien word en daarmee hoop dat ik mezelf leer zien.

Een vreemde paradox. Mijn hele leven heb ik mezelf klein gehouden, in mezelf gezocht. Heb ik mijn best gedaan om me te schikken naar de verwachtingen van anderen, de eisen die ik aan mezelf stelde. Het lukte niet. Ik ben nooit ambitieus geweest. Heb me nooit kunnen voegen in het gareel. Ondoceerbaar werd ik genoemd.

 Als kind had ik een wens. Als de toverfee kwam wilde ik geen prinses zijn, ik wilde niet rijk of beroemd zijn. Ik wilde niet kunnen vliegen. Wat ik de toverfee zou vragen was de wens om een weekje dood te zijn. Na zeven dagen zou ik dan aan iedereen kunnen vertellen dat ze niet meer bang hoefden te zijn. De toverfee is nooit gekomen.

In deze tijd waarin mensen zich online oppoetsen, waarin iedereen het liever over ‘wij’ en ‘zij’ heeft dan over ‘ik’. Waarin de wereld beeft onder onze handen. In deze tijd is het enige dat ik kan doen dat zinvol voelt, deze website met je delen.

Ik weet niet of het voortkomt uit misbruik, uit ego, uit plezier, uit de uitdaging om mijn angsten te overwinnen, uit onvrede, uit trots, uit…. vul zelf maar in. Ik weet niet of ik zo geboren ben of gevormd door ervaringen. Nature of nurture zoals het zo mooi heet. Is het relevant?

  

(Het volledige interview van Ezra Klein met Bessel van der Kolk is in het Engels terug te luisteren via de site van de New York Times. Ook is daar een transcriptie te downloaden. Bovenstaande vertaling heb ik zelf gemaakt. Het boek van Bessel van der Kolk, ‘The body keeps the score’, is in het Nederlands vertaald met de titel ‘Traumasporen’.)

Is het relevant?

Komt de wijze waarop ik mezelf ervaar voort uit wie ik van nature ben of uit hoe ik opgevoed ben?

En is het relevant?

Ja, voor mij wel. De afgelopen weken heb ik drie verschillende items gezien en gelezen die trauma gerelateerd waren: over misbruik in de turnwereld, over vrouwen in Chili die tijdens het regime van Pinochet in opdracht van de staat structureel verkracht en gemarteld werden en over vrouwen die slachtoffer zijn van de toeslagenaffaire.

Bij allemaal ging het over schaamte. Machteloosheid. Het gevoel voorgoed veranderd te zijn. Geen vertrouwen in de toekomst. Je willen verstoppen. Mensen afstoten. Zwijgen omdat je niet begrepen wordt.

Een verschil met hun is, dat zij weten, zich bewust zijn van hun identiteit voorafgaand aan het moment dat het trauma hun leven binnensloop. Zij hebben beelden van voor,  erna en tijdens.

Bij mij is het anders. Ik heb geen weet van een ervoor en tijdens.

Al mijn hele leven heb ik last van vragen. Ik dacht dat er iets aan mij mankeerde. Dat er in mij iets verkeerds zat. Iets dat mij belette om te zijn wie en wat ik voelde dat ik kon zijn.

Ik probeerde mezelf te overstijgen, maar elke keer dat ik me op wilde richten, leek iets of iemand me onder te duwen. Hoe harder ik worstelde om te ontkomen, hoe bruter ik neergedrukt werd.

Ik dacht dat ik zwak was. Mijn grootste vijand was ikzelf. Haar slechtheid bestrijden slokte al mijn energie op. Ik hield me afzijdig. Begreep mezelf, mijn motieven niet. Dacht dat ik onbetrouwbaar was.

Ik schaamde me, leefde met het idee, met de tergende wroeging dat ik ergens schuldig aan was. Dat ik iets verkeerds had gedaan. Ik bleef maar in mezelf graven omdat ik steeds maar niet mijn vinger kon leggen op wat dat dan precies was. Ik was geobsedeerd door het begrip eerlijkheid. Als ik maar 300 % eerlijk tegen mezelf zou zijn, dan zou ik wel ontdekken wat er mis was met mij.

Meedogenloos was ik, zowel voor mezelf als tegen anderen. Alleen door alles en iedereen vlijmscherp te fileren zou ik achter de gruwelijke waarheid over mezelf kunnen komen. Mensen die sympathie toonden, mij leuk en aardig vonden wantrouwde ik. Ze maakten me behoedzaam. Als ze dichtbij kwamen stootte ik ze af. Zo ben ik al meer dan dertig keer verhuisd in mijn leven. Elke keer kon ik opnieuw beginnen als de leuke versie van mezelf totdat mensen te dichtbij kwamen. Dan verstopte ik me en vertrok.

Ik dacht dat mijn gedrag een vorm van kracht was. Ik besefte niet dat ik mezelf strafte.

Ik dacht dat mijn zelfhaat verdiend was. Ik besefte niet dat het mijn weerloosheid was die ik verachtte.

Ik dwaalde door het leven zonder keuzes voor de lange termijn te kunnen maken. Ik leefde van dag tot dag en dacht dat ik vrij was. Wist ik veel dat ik stuurloos en zonder vertrouwen in een toekomst ronddobberde.

Ik voelde een ongerichte haat die ik uit alle macht probeerde te onderdrukken, niet wetend hoe die in te dammen waardoor ik mezelf het zwijgen oplegde.

Wat de woorden van mijn tante mij gegeven hebben, is het besef dat ik niet van nature zo ben. Het is niet mijn natuur waardoor ik zo worstel met het leven. Het is het gevolg van een verziekte nurture. Nu ik dit weet, besef ik dat ik niet meer het weerloze, machteloze meisje van weleer ben. Leer ik accepteren dat ik reden heb om te houden van mijn haat, van de minachting die ik kan voelen voor mensen die misbruik maken van hun macht.

Ik dacht altijd dat die gevoelens mij tot een slechte vrouw, een stout meisje maakten. Nu besef ik eindelijk dat ik er recht op heb. Die gevoelens maken mij tot een overlever. Die gevoelens geven mij de kracht om deze woorden met je te delen.

 

Uit het interview van Ezra Klein met Bessel van der Kolk:

 Ezra Klein: ‘Je zegt dat een van de belangrijkste manieren waarop de geest de score verbergt is, door schaamte toe te passen. Je schrijft op een gegeven moment over trauma-overlevenden, citaat:  "Schaamte wordt de dominante emotie en het verbergen van de waarheid een centrale zorg." Kun je iets vertellen over wat schaamte is, wat het is als een emotie, en de rol die het speelt voor mensen na trauma?’

Bessel van der Kolk: ‘Ja. Schaamte is een gevoel van willen verbergen hoe je niet wilt dat iemand je ziet. Schaamte komt voort uit gevoelens die fundamenteel onaanvaardbaar zijn. Zoals wanneer iemand heel vriendelijk tegen je praat terwijl je ondertussen het gevoel hebt dat je die man zou willen vermoorden. Je denkt bij jezelf, wat een vreselijk persoon ben ik om iemand te willen vermoorden die aardig tegen me is. En dan zeg je, ik moet gek zijn, er is iets mis met me.

Misschien heeft die persoon een bepaald accent of een manier van praten die je op een heel diep niveau herinnert aan iemand die je in elkaar sloeg toen je een kind was, waardoor je een intense emotionele reactie krijgt en vervolgens het gevoel: wat is er mis met mij dat ik zo vreselijk reageer op deze persoon?  Die persoon heeft waarschijnlijk al opgepikt dat je de boosheid die je jegens hem voelt voor hem probeert te verbergen terwijl hij aardig tegen je is. Dus dat is de verwarring en de schaamte waarmee getraumatiseerde mensen leven.’

Ezra Klein: ‘Iets dat me opviel aan die passage is – en ik verontschuldig me omdat ik me niet kan herinneren waar ik dit onderscheid heb gelezen, maar ik heb ooit gelezen dat schuld een individuele emotie is en schaamte een sociale emotie. Schuldgevoel is, ik voel me slecht over iets wat ik heb gedaan, en schaamte is dat ik bang ben dat de gemeenschap me zal veroordelen voor iets dat ik heb gedaan. Terwijl trauma's vaak verband houden met dingen die zijn gebeurd die een breuk binnen een gemeenschap zouden kunnen veroorzaken, lijkt het interessant en ook diep triest dat schaamte daar zo'n constante metgezel voor is, omdat het een manier is om te vrezen dat je gemeenschap zich mogelijk tegen je zal keren als de waarheid bekend zou worden.’

Bessel van der Kolk: ‘Welnu, we zijn gemeenschappelijke wezens, en we overleven vreselijke dingen door gemeenschappelijkheid. Mensen zijn in staat om zichzelf te herpakken, zoals bijvoorbeeld New York deed na 9/11 - New York had een spectaculair effectieve manier om met het trauma van 9/11 om te gaan. Als je eenmaal de gemeenschap achter je hebt staan, schaam je je niet meer voor jezelf omdat je buurman misschien dezelfde gevoelens van angst en dreiging heeft dan jij. Daardoor voel je je niet gek, en heb je niet het gevoel dat je uitsluiting verdient.

Een van de dingen waarop traumaprobleem gebaseerd zijn, is dat je je afgesneden voelt van je gemeenschap, je doet dingen die je in verlegenheid brengen, je valt uit tegen mensen. Je kinderen willen met je spelen, en je wordt boos op je kind, je voelt je slecht over boos zijn op je kind en je begint tegen dit kind te schreeuwen. Vervolgens denk je, oh, mijn god, wat is er mis met mij dat ik tegen mijn kind schreeuw. Je probeert jezelf onder controle te houden met alcohol of drugs. En zo ontwikkel je reacties die je hoopt dat mensen niet zullen zien. En hoe langer ze duren, hoe meer je geïsoleerd raakt.

Een van de dingen die ik tot mijn grote verdriet heb gezien, is dat toen we in dit werkveld begonnen, het een zeer gemeenschappelijke kwestie was. Het waren vrouwen die samenkwamen rond 'Our Bodies, Ourselves'. Een vriendin van mij, Judy Herman runde incestgroepen. Ik runde groepen voor veteranen. Deelnemers kregen veel troost en steun van elkaar, en ze deelden hun zeer enge gedachten en hun boze gedachten. Ze zeiden, oh, ik voel hetzelfde. Ik heb dezelfde ervaringen gehad. …Herkenning kan je het gevoel geven niet alleen te zijn, ondanks het feit dat je je erg beschadigd en beschaamd voelt over jezelf.’

  

(Het volledige interview van Ezra Klein met Bessel van der Kolk is in het Engels terug te luisteren via de site van de New York Times. Ook is daar een transcriptie te downloaden. Bovenstaande vertaling heb ik zelf gemaakt. Het boek van Bessel van der Kolk, ‘The body keeps the score’, is in het Nederlands vertaald met de titel ‘Traumasporen’.)

Overleven

Het brein is flexibel. Zoals het onder invloed van stress kan veranderen, zo kan het net zo goed onder invloed van rust en tevredenheid veranderen.

Ik begin door dit schrijven met andere ogen naar mezelf te kijken.

Ik voel me bevrijd. Ik ben niet degene die verantwoordelijk is voor wat er ooit is gebeurd. Ik ben wel verantwoordelijk voor hoe ik er mee om wil gaan. Ik kan tieren, klagen, janken, schreeuwen, huiveren, stilstaan, ….

Wat ik ook voel, het zijn emoties die betekenen dat ik nog leef. Dat ik voel. Dat ik adem. Dat ik een keuze heb. Dat ik de vrijheid heb om mijn eigen leven te leiden. Ik ben een overlever.

De eerste keer dat ik dat woord hoorde was in een Amerikaanse docu over Jeffrey Epstein waar het begrip survivor werd gebruikt. Overlever. Ik vond het erg overtrokken, erg melodramatisch klinken. Stel je niet aan, dacht ik. Een overlever! Een overlever is iemand die een oorlog heeft meegemaakt. Iemand die een concentratiekamp heeft overleefd. Iemand die een ramp heeft doorstaan.

Wie waren die vrouwen dat ze dachten dat ze zichzelf daarmee vergeleken? Ze waren alleen maar seksueel misbruikt. Dat is toch niet levensbedreigend?

En toen dreunde het besef door me heen: wat hebben alle overlevers met elkaar gemeen? Wat betekent overleven? Overleven is leren leven met de ervaring van iets afschuwelijks dat je overkomen is.

En waar ben ik zelf dan al mijn hele leven mee bezig? Wat heeft, zonder dat ik me ervan bewust was al mijn hele leven een stempel gedrukt op al mijn keuzes?

Het is misschien geen oorlog, maar het is de oorlog die ik uit te vechten heb. Een strijd die nooit in de krant zal staan. Een strijd die verborgen voor de ogen van de wereld zich in mijn hoofd, mijn gedachten, mijn lichaam afspeelt. Een eenzame strijd. Een strijd waarvoor ik me schaamde omdat hij mij zo zwak maakte. Een strijd die ik hier, met deze woorden, met je deel. Omdat als je nog steeds deze woorden aan het lezen bent, het betekent dat we niet alleen zijn. Dat deze woorden in je binnenste resoneren (zoals ze dat bij mij doen). Met pijn in het hart. Met tranen. Met een brok in de keel. Dat maakt ons tot mens. Dat verbindt ons. Dat zorgt ervoor dat we niet alleen zijn. Dat we overleven.